Kostprijzen

KostprijzenZijn kostprijzen een soort heilige graal? ‘Als we de kostprijs van het product weten, dan weten we wat de verkoopprijs moet zijn…’. ‘Door de kostprijzen te berekenen, weten we welke producten verliesgevend zijn…’, ‘We kunnen niet sturen, want we weten de kostprijzen (nog) niet…’. Het lijkt alsof het essentieel is om kostprijscalculaties te maken. Maar is dat ook zo? De NZa heeft in ieder geval bepaald dat alle algemene ziekenhuizen, universitaire medische centra en instellingen voor revalidatiezorg met ingang van mei 2012 via een voorgeschreven stramien kostprijzen moeten berekenen en deze met ingang van 2013 aan de NZa moeten aanleveren (NR/CU-224). De NZa gaat deze informatie dan gebruiken voor tariefberekeningen.

Waarom kostprijzen?

Volgens algemeen geldende economische theorieën kun je kostprijzen onder andere berekenen voor de volgende doelstellingen:

  • Het bepalen van een verkoopprijs.
  • Analyseren van de eigen bedrijfsvoering.
  • Investeringsbeslissingen.
  • Make or buy beslissingen.
  • Wel of niet accepteren van een order.

Er zijn verschillende soorten kostprijzen. De belangrijkste varianten zijn de integrale kostprijs (waar alle kosten van de organisatie op een of andere manier aan de eindproducten worden toegerekend) en de variabele kostprijs (waar alleen de variabele kosten aan het eindproduct worden toegerekend).

Manieren om integrale kostprijs te berekenen

Een integrale kostprijs kun je op verschillende manieren berekenen. Het belangrijkste onderscheid is de wijze waarop de indirecte kosten worden toegerekend. Gangbare methoden zijn onder andere de kostenplaatsenmethode, de opslagmethode en Activity Based Costing. Belangrijk is om vast te stellen dat iedere methode, bij gebruik van dezelfde basisgegevens, tot een andere uitkomst leidt. De keuze voor een methodiek heeft dus al invloed op de uitkomst.

Kostprijzen berekenen is geen exacte wetenschap

De gebruikelijke manier bij zorginstellingen is om de kosten van het afgelopen jaar volledig toe te rekenen aan de activiteiten van het vorige jaar. Voor de NZa moet er immers een aansluiting zijn bij de jaarrekening. Als activiteiten (kostendragers) wordt veelal gekozen voor zorgactiviteiten (losse, goed afzonderlijk te registreren verrichtingen). Deze zorgactiviteiten vormen op zich weer de bouwstenen voor de kostprijs van een zorgproduct (DBC), door middel van het zorgprofiel. De berekening is een combinatie van direct toe te rekenen kosten (bijvoorbeeld de kosten van de gebuikte implantaten), nagenoeg direct toe te rekenen kosten (bijvoorbeeld de personeelskosten van de afdeling gedeeld door het aantal zorgactiviteiten dat de afdeling heeft uitgevoerd, al dan niet met een weging op basis van tijdsbesteding per zorgactiviteit) en tot slot indirecte kosten die via verdeelsleutels worden toegerekend (bijvoorbeeld schoonmaakkosten per m2). Bent u er nog, is het nog te volgen?

Als je dan weet dat een gemiddelde zorginstelling honderden verschillende zorgactiviteiten registreert, duizenden verschillende zorgproducten produceert, tientallen verschillende sleutels hanteert om indirecte kosten toe te rekenen, dan begint het pas echt te duizelen. Kostprijsberekeningen in zorginstellingen is serieus werk, waar ieder jaar opnieuw veel manuren aan worden besteed, in grote complexe rekenschema’s die nauwelijks meer te overzien zijn.

Combineer dit met de wetenschap dat gebruik wordt gemaakt van de werkelijke kosten (conform jaarrekening) en de werkelijke productie (zoals geregistreerd) dan zie je dat in de kostprijs alle inefficiency is verdisconteerd en dat incidenten en gebreken in de registratie zijn meegenomen. Stel dat je dit jaar je registratiekwaliteit met 10% verbetert, dan is volgend jaar je kostprijs bijna 10% lager, zonder dat er in de praktijk ook maar iets is veranderd. De uitkomst van een dergelijke kostprijsberekening is een getal, dat met het zelfde gemak een heel ander getal had kunnen zijn. Het berekenen van een kostprijs is geen exacte wetenschap, dé kostprijs van een product bestaat niet.

In dat licht bezien, is het best wel eng om te constateren dat mensen zoveel waarde toekennen aan kostprijzen, en bereid zijn om daar besluiten op te baseren met betrekking tot de continuering van producten, strategische profilering etc.

Different costs for different purposes

Heeft het dan geen nut om kostprijzen te berekenen? Ja, dat heeft wel degelijk nut. Je moet alleen onderscheid maken naar het doel waarvoor je de kostprijs berekent en op basis daarvan een keuze maken in de kostprijsmethodiek. Je moet bijvoorbeeld geen integrale kostprijs berekenen op historische data, om daarmee de verkoopprijs te bepalen. Je kunt die calculatie wel gebruiken om dit te vergelijken met bijvoorbeeld de NZa tariefberekeningen of met een eigen normberekening. Dit geeft je de mogelijkheid om je eigen bedrijfsvoering te analyseren en te evalueren. Als je winstgevendheid wilt weten, maak dan gebruik van de contributiemarge theorie en bepaal zo de dekkingsbijdrage per product. Wil je een verkoopprijs, baseer je dan op marktinformatie en op je eigen positionering. De tijd dat je aan een inkoper kon uitleggen dat het product je nu eenmaal zoveel heeft gekost om te maken en dat hij daarom die prijs moest bepalen, die is echt wel voorbij.

Meer weten? Neem contact op...